Moraliteitsvoorwaarden – gegiste dranken
Artikel 1 van het KB van 1953 .
§ 1. Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen, hetzij zelf, hetzij door middel van een derde persoon, geen slijter van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken zijn, in de betekenis van deze gecoördineerde wetten:
[…]
2° zij die tot een criminele straf zijn veroordeeld;
3° zij die veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven omschreven in de hoofdstukken IV, V, VI en VII, titel VII, Boek II van het Strafwetboek;
4° zij die wegens heling zijn veroordeeld;
5° zij die veroordeeld zijn hetzij wegens het houden van een speelhuis, hetzij wegens het onwettig aanvaarden van weddenschappen op paardenwedrennen, hetzij wegens het houden van een kantoor voor andere weddenschappen dan op paardenwedrennen;
6° zij die driemaal veroordeeld zijn wegens het slijten van geestrijke dranken;
7° zij die vallen onder artikel 4 van de wet van 10 juni 1947 betreffende accijnzen en douanen;
8° zij die een huis van ontucht of een inrichting voor geheime prostitutie houden of hebben gehouden; het verval wordt opgelopen zodra het houden van zulk een huis of inrichting vastgesteld is door een vóór 24 september 1948 genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen, of door een rechterlijke beslissing;
9° zij die hun slijterij exploiteren in een gebouw waarin een plaatsingskantoor, een bevrachtingskantoor of een aanwervingskantoor is gevestigd, behalve wanneer dat kantoor slechts langs de openbare weg verbinding met de slijterij heeft;
10° de onbekwamen, dit verbod geldt niet wanneer de slijterij feitelijk geëxploiteerd wordt door een vertegenwoordiger van de onbekwame.
Moraliteitsvoorwaarden – sterke dranken
Artikel 11 van de wet van 1953
§ 1 Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen geen houder zijn van een drankgelegenheid voor ter plaatse te gebruiken sterke dranken:
1° ...
2° zij die veroordeeld zijn tot een criminele straf;
3° zij die veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven omschreven in de hoofdstukken IV, V, VI en VII van titel VII van Boek II van het Strafwetboek;
4° zij die veroordeeld zijn wegens heling;
5° zij die veroordeeld zijn hetzij wegens het houden van een speelhuis, hetzij wegens het onwettig aanvaarden van weddenschappen op paardenrennen, hetzij wegens het houden van een kantoor voor andere weddenschappen dan op paardenrennen;
6° zij die tot een gevangenisstraf werden veroordeeld wegens fraude van rechten of taksen op alcohol of andere sterke drank, ingevoerd, binnengebracht uit een andere lidstaat of hier te lande vervaardigd, in het bijzonder wegens geheime vervaardiging van alcohol of een daarmee gelijkgesteld delict evenals wegens sluikinvoer, onregelmatig bezit of vervoer van alcohol of andere sterke drank;
7° zij die een huis van ontucht houden of hebben gehouden; het verval bestaat zodra het houden van zulk een huis of inrichting vastgesteld is door een vóór 24 september 1948 genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen of door een rechterlijke beslissing;
8° zij die hun drankgelegenheid exploiteren in een gebouw waarin een arbeidsbemiddelingsbureau, een bevrachtingskantoor of een aanwervingsbureau gevestigd is, behalve wanneer dat bureau of kantoor geen andere toegang naar de drankgelegenheid heeft dan de openbare weg;
9° de onbekwamen; dit verbod geldt niet wanneer de drankgelegenheid feitelijk wordt geëxploiteerd door een persoon die de onbekwame vertegenwoordigt.
§ 2 Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen geen lasthebber zijn in de zin van artikel 3, § 2, de in § 1, 2° tot 7° en 9° vermelde personen.
§ 3 Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen de in § 1, 2° tot 7°, vermelde personen op generlei wijze deelnemen aan de exploitatie van een drankgelegenheid waar sterke drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse.
